Cultuur als motor van een paradigmashift

img_2314
Cultuur is de motor in de transitie naar een duurzame, sociaal rechtvaardige samenleving. De sector heeft daarvoor alles in zijn mars. Althans, dat beweert de sector vaak zelf. We kijken of de sector die rol goed aan het vervullen is, waarom het soms moeilijk gaat of waar het geclaimde ‘motorschap’ soms achterwege blijft . Maar hoop doet leven. Door de klimaatmaatregelen van de Vlaamse overheid zou de cultuursector versterkt kunnen worden om die rol op te nemen. (Johan Penson op vraag van het Transitiefestival 2016)

Eerst en vooral is het belangrijk om de hippe en commerciële termen zoals ecologie en duurzaamheid juist te gaan gebruiken. Het zijn containerbegrippen die we correct moeten invullen. Ecologische maatregelen zijn in eerste instantie ingrepen die energiebesparend zijn en zo de CO2-voetafdruk verminderen. Het is van groot belang te focussen op puur ecologische, meetbare doelstellingen en quick-wins, om vervolgens te evolueren naar duurzaamheid. Mikken op het laaghangende fruit (zoals het verbeteren van isolatie, alternatieve mobiliteit, energiebesparing en het gebruik van hernieuwbare energie) vormen absoluut de start die gisteren al genomen moest zijn.

Maar doordat we in ons ecosysteem te maken hebben met een wereldwijde interdependentie of onderlinge afhankelijk van de verschillende schakels, moeten we de klimaatproblematiek ook breed genoeg zien. Ecologische maatregelen zullen niet volstaan om het welzijn van de mensheid en de planeet te garanderen. We moeten komen tot duurzaamheid. Dat is het geheel van alle langetermijnmaatregelen die het evenwicht tussen mens en planeet herstelt en daarmee onze habitat vrijwaart.

In onze leefomgeving zijn het milieu en het sociaal-maatschappelijke weefsel onlosmakelijk met elkaar verbonden. Duurzaamheid gaat daarom over het creëren en behouden van een leefbare en rechtvaardige samenleving. Duurzaamheid gaat over participatie, inclusie, gelijke kansen, enzovoort. Het zijn niet zomaar wat attentiepunten die we snel even onder ogen zien. Het is een constante zorg om de impact van de praktijk op mens en omgeving te beperken. Door een langetermijnstrategie wordt het geheel volhoudbaar en kan het doorgegeven worden aan de toekomstige generaties. Dat is duurzaamheid.

Het is essentieel om mensen mee te krijgen in die paradigmashift. Die verandering is ingezet, dat is merkbaar. Misschien is het een hype, dat kan, maar de noodzaak is vandaag alvast duidelijk voor iedereen. De vraag is of dat morgen ook nog zo is. In het klimaatdebat wordt vaak gesproken in termen van een emissiereductie van x procent. Zulke cijfermatige insteek is uiteraard nodig, maar het biedt geen perspectief voor een langetermijntoekomst. Emissiereductie is een doelstelling die te weinig zegt. We moeten, weg van de percenten, naar een beeld van de toekomst toewerken. Dat beeld zal ons maatschappelijk engagement aanwakkeren. Het zal ons verbuigen naar een tipping point, naar een nieuw paradigma waarin volhoudbaarheid centraal staat. En nu gaat cultuur meespelen.

TRANSITIEWAARDE VAN CULTUUR

Het waarden- en normenkader van kunst, cultuur, jeugd, sport en media is absoluut onontbeerlijk om dit paradigma te vertalen in de publieke sfeer. Het heeft een zacht mobiliserend karakter. Het kan de publieke dialoog stimuleren en bruggen slaan tussen verschillende sectoren en tussen verschillende sociale groepen in de samenleving. Het is niet voor niets dat het Kunstendecreet losgekomen is van disciplines en dat het vandaag in een schottenloos kader werkt met enkel nog functies zoals ‘ontwikkeling’, ‘productie’, ‘presentatie’, ‘participatie’, ’reflectie’. Kunst is gelukkig niet meer eenvoudig te benoemen als theater, dans of installaties. Kunst en cultuur zijn het ondertussen gewoon om over grenzen te gaan.

De culturele sector is, omwille van de ruime ervaring met sociaal en collectief leren (bijvoorbeeld met de maatschappelijke bewustmakings- en emancipatieprocessen), bij uitstek een leer- en ervaringsruimte. Ze draagt bij tot het omgaan met onzekerheden die inherent zijn aan een diverse en individualiserende samenleving. De culturele sector biedt de samenleving verbeelding en creativiteit. Ze helpt die samenleving op een positieve en constructieve manier omgaan met de transitie naar een duurzame samenleving.

De culturele sector draagt bij tot het omgaan met onzekerheden die inherent zijn aan een diverse en individualiserende samenleving. Ze biedt de samenleving verbeelding en creativiteit. Ze helpt die samenleving op een positieve en constructieve manier omgaan met de transitie naar een duurzame samenleving.

De brede culturele sector in Vlaanderen is een troef. Ze blijft ook in de toekomst een belangrijke maatschappijversterkende sector. Vanuit de specifieke en autonome waarde kan ze een belangrijke rol spelen in het ontwikkelen van bijvoorbeeld sociaal kapitaal en competenties. We maken dan ook best gebruik van het grote mobiliserende potentieel van de brede culturele sector. We zorgen er best voor dat deze sectoren van de gemeenschap, van ons allen, blijven. De brede culturele sector in Vlaanderen bereikt veel mensen. Ze haalt tevens kracht uit de betrokkenheid van die mensen. Ze kan mensen informeren en stimuleren om te participeren aan de samenleving, door in groep samen te werken, door actief te zijn en door initiatieven te nemen.

Cultuur kan oplossingen en praktijken ontwikkelen die de klimaatproblematiek op een inclusieve manier benaderen. Die klimaatproblematiek is, omwille van de eerder besproken interdependentie, immers een globaal probleem waarbij de volledige maatschappelijke respons van groot belang is. Het evolueren naar een circulaire economie en de noodzaak aan sociale innovatie kan daarbij helpen. Hoe er geconsumeerd wordt, is bijvoorbeeld net zo belangrijk als het aanpakken van productieprocessen. Daarvoor moet draagvlak gecreëerd worden door maatschappelijke en bestuurlijke innovatie. Cultuur kan daar bij helpen. Het is, met andere woorden, belangrijk om alles in samenhang te zien.

Hoe er geconsumeerd wordt, is net zo belangrijk als het aanpakken van productieprocessen. Daarvoor moet draagvlak gecreëerd worden door maatschappelijke en bestuurlijke innovatie. Cultuur kan daar bij helpen.

Diversiteit, inclusie en participatie zijn aspecten die een grote rol zullen spelen binnen het klimaatdebat en de transitie naar een sociaal- rechtvaardige en duurzame samenleving. De broodnodige shift treft immers iedereen. Ieder zal er op zijn eigen manier mee aan de slag moeten gaan. Het politieke debat rond duurzaamheid kan vanuit cultuur gestimuleerd en versterkt worden om co-creatief aan langetermijnoplossingen te werken.

HET CULTURELE VELD VANDAAG
De realiteit in het veld oogt helaas anders dan de potentiële transitiewaarde van cultuur zoals we die hierboven beschreven. Vooreerst was er de aanpassing van het lokale cultuurdecreet van 2012 in het kader van de ‘planlastenverlaging’. Steden en gemeenten kunnen vrij beschikken over de middelen die ze van Vlaanderen krijgen. Lokale besturen hebben vanaf nu meer vrijheid om een eigen cultuurbeleid vorm te geven zonder daarover verantwoording te moeten afleggen aan Vlaanderen.

Sectorale plannen werden afgeschaft en geïntegreerd in de lokale strategische meerjarenplanning. Hierdoor is er meer bewegingsvrijheid voor de lokale besturen. De gemeente beslist nu zelf over de invulling van de bibliotheek of over de slagkracht van het cultureel centrum.
Meer vrijheid dus, maar hierdoor ook meer vrees. Op een dag kan de lokale politiek het ene of het andere niet meer belangrijk vinden. Politici surfen liever op een kortetermijnlogica dan dat ze besturen op lange termijn. Dat laatste is echter wat transitiedenken vergt. Het op poten zetten van visionaire culturele ontwikkeling – een noodzakelijke voedingsbodem voor de kunsten – is nog zo’n werk van lange adem dat het lokale denken overstijgt. De opgebouwde expertise bij de Vlaamse overheid omtrent kunsten is niet naar het lokale beleid mee verhuisd. Dus hopen we dat cultuurfunctionarissen en -beleidscoördinatoren in staat blijven om hun nieuwe broodheren, de lokale politici, te kunnen overtuigen van een duurzaam parcours.

Ten tweede zijn er de recente resultaten van de subsidiëring van het Kunstendecreet voor de ondersteuning van de professionele kunsten in Vlaanderen en Brussel. De minister van Cultuur, Sven Gatz, profileerde zich in diverse nota’s als iemand die niet krampachtig conservatief vasthoudt aan het bestaande, maar vertrekt vanuit de kunstenaar die kansen moet krijgen om te functioneren. De sector keek hard uit naar de volle steun voor wie de kunsten maakt. De beoordelingscommissies hadden dit goed gehoord en handelden er zo goed als mogelijk naar. Maar met de politieke eindbeslissing, die een beslissing was van de volledige Vlaamse regering, lijkt nu juist die kleine en individuele kunstenaar het eerste slachtoffer van deze subsidieronde. De kunstinstellingen (deSingel, deFilharmonie, Brussels Philharmonic, Kunsthuis en de Ancienne Belgique) worden deels aangesterkt en het clubje is uitgebreid met het Concertgebouw en Vooruit. Zo werd hun positie verstevigd en is er vers bloed in de groep van de kunstinstellingen.
Ik ben uiterst benieuwd hoe de twee nieuwelingen – het Concertgebouw en Vooruit – hun nieuw statuut gaan waarmaken. Ze moeten op alle vijf de functies inzetten: ‘ontwikkeling’, ‘productie’, ‘presentatie’, ‘participatie’ en ‘reflectie’. Dat betekent voor beide organisaties een grote aanpassing en een bijzondere uitdaging. Koken kost geld en heel veel kwam er niet bij. Brengen ze de broodnodige vernieuwing bij de kunstinstellingen of glijden ze af naar conformisme? De tijd zal het uitwijzen, maar verandering brengen in organisaties is bijzonder moeilijk. Er is dus veel werk aan de winkel om de kunstenorganisaties in zijn geheel tot motoren te ontwikkelen die de transitie naar een duurzame, sociaal rechtvaardige samenleving zullen aanzwengelen. De capaciteit is er alleszins al aanwezig.

Voorts lijkt de situatie in de sector eerder op een inhoudelijk failliet van de kunstinstituties in het algemeen. De verticaliteit van de instituties werkt niet in een vervlakte, horizontale wereld waar surfgedrag de norm is. Ze moeten evolueren naar een ‘common’, een gemeengoed, waar singuliere en dissonante stemmen een plek krijgen, waar een minderheidsdemocratie mogelijk wordt gemaakt, waar gemeenschappen worden opgenomen en waar strijd en discussie mogelijk is. Logica is het eerste wat je daarbij moet zien kwijt te raken. Nieuwe ideeën en kansen tot heruitvinding blijven momenteel uit omdat het operationele primeert. Creativiteit en een vleugje criminaliteit kunnen de kunst-instituties omvormen tot con-stituties.
Vervolgens moet de publieke ruimte de nieuwe woonkamer worden in de stad, een smeltkroes van vele culturen. De publieke ruimte moet steeds plaats bieden aan nieuwe ontwikkelingen. Stadsontwikkelingsprojecten die inzetten op de verbinding van publiek, kennis en creativiteit in de publieke ruimte zullen een bijdrage aan de transitie leveren. Het inspirerende ontwerp van die ruimte is daarbij van kapitaal belang. Het moet een sociale omgeving zijn die instaat voor het realiseren van die verbinding. Een omgeving waar verhalen kunnen ontstaan op een vrije en ongedwongen manier, waar je de wereld, je verlangens en ook je grenzen kunt ontmoeten en verkennen. Change or die, is een vaak gebruikte slagzin om organisaties te transformeren naar co-creatieve en participatieve praktijken. Ze willen hun relevantie actualiseren en zetten daarbij in op inclusie. Dat zal een verbindend effect met zich meebrengen dat onrechtstreeks inspeelt op de nodige transitie.

Tot slot. Als we goed met de subsidiecijfers goochelen, kunnen we spreken van lichte stijging van de middelen ten opzichte van de vorige ronde. Maar het blijft veraf staan van wat een regio als de onze dient te investeren in cultuur. Vlaanderen is een van de rijkste regio’s in Europa, maar spendeert verhoudingsgewijs zeer weinig om zijn cultuur te ondersteunen. De resultaten van deze subsidieronde zijn financieel weer een stap achteruit. Nog slechts 0,46% van de Vlaamse begroting gaat naar de kunstensector. Dat is opnieuw een dalend engagement van de politiek. Iets ontgaat me in deze logica: Vlaanderen wil bouwen aan haar identiteit, maar hoe kan ze dat doen zonder dat er flink geïnvesteerd wordt in de kunsten? Die bezorgen Vlaanderen immers haar sterk internationaal imago. Ik vrees dat de realiteit anders is. Het dalend engagement van de politiek naar de kunstensector weerspiegelt een politieke maatschappijvisie die alles afbouwt wat bijdraagt aan een solidaire, genereuze en warme samenleving. De sector zal dus het ‘Witboek voor alternatieve financiering’ moeten uitproberen om zichzelf veilig te stellen.

Nog slechts 0,46% van de Vlaamse begroting gaat naar de kunstensector. Dat is opnieuw een dalend engagement van de politiek. Iets ontgaat me in deze logica: Vlaanderen wil bouwen aan haar identiteit, maar hoe kan ze dat doen zonder dat er flink geïnvesteerd wordt in de kunsten?

DE TOEKOMST
Maar laten we niet te negatief wezen. Het goede nieuws is dat de kunstensector wel degelijk een belangrijke actor is in transitie en dat er wel degelijk een shift is in de richting van een duurzame samenleving. Het is immers een sector waar kunstenaars en vrijbuiters deel van uitmaken. Kunst en kunstenaarschap gaan al eeuwen om met maatschappijkritiek en ethische schandalen. Steeds weer heeft de kunst en de kunstenaar op een bepaalde manier de geldende normen en waarden van een samenleving steeds weer in vraag gesteld. Vrijheid van expressie blijft een actueel thema in de maatschappij. De kunstenaar heeft meestal de vrije hand om zich te uiten en een debat uit te lokken. Hij staat vaak aan de rand van de maatschappij en bezorgt die maatschappij een bepaalde boodschap. Peter Tom Jones en Vicky De Meyere brengen met hun herziene uitgave van hun boek Terra Reversa, De transitie naar rechtvaardige duurzaamheid, uit 2009, een verrassend positief geluid in het debat over de transitie naar een klimaatvriendelijke, circulaire en veerkrachtige economie. Velen beweren het tegendeel, namelijk dat de kunstenaarsmythe al heel lang failliet is, maar ik vermoed dat het afhangt van het moment en de positie waarin hij gedwongen wordt. En dat is mede afhankelijk van de positie van de waarnemer.
Ander lichtpunt. Ook het Pulse Transitienetwerk Cultuur is ondertussen in staat om op een transversale manier duurzame bruggen te slaan tussen cultuuractoren, andere sectoren, politiek en de overheid. Dit professioneel netwerk is ontstaan uit vrijwilligers van de culturele sector. Het wordt bevolkt door kunstenaars en cultuurwerkers in de brede zin van het woord. Er is nu hoop op en sprake van verdere ondersteuning voor Pulse in het kader van de klimaatmaatregelen van de Vlaamse overheid. Het huidige werkdomein van Cultuur zou tevens uitgebreid moeten worden met de domeinen jeugd en media. Daardoor kan het thema dagelijkse aandacht krijgen en zal het jong blijven. Dat zou de slagkracht en de impact van een dergelijk transitienetwerk, dat nu al leidt tot een 1.000-tal personen en organisaties, drastisch kunnen verhogen. Op die manier kunnen deze sectoren, gegroeid vanuit de kopstartpositie van cultuur in transitie, de maatschappij verder beïnvloeden naar een soort tipping point, naar een point of no return.
Kunst en cultuur zetten aan tot verandering; ze stimuleren het publiek debat. Dit is de basis van democratie. De leerruimte, waar we eerder over spraken, kan een onderbreking aanbieden. En dat is het bewerkstelligen van volwassenheid. Het uitstellen of vertragen, brengt verlangens tot stand die ondersteuning gaan geven in de volhoudbaarheid van het geheel. De cirkel is rond: we komen opnieuw terecht bij duurzaamheid.

Johan Penson, Cultuurwerker pur sang; project management en ondersteuning van kunst, kunstenaars en kunstenorganisaties; bestuurslid van een aantal kunstenorganisaties en stichtend lid van STEPP (het steunpunt voor de producerende, ontwerpende, en technische krachten van de brede culturele sector). Lid van de Strategische Raad voor Cultuur, Kunsten en Erfgoed. (Translation on demand)

 

By

October 26, 2016
Read More